ontwerpend leren

in de klas

 
 
 

Durf uit te proberen

Ontwerpvaardigheid uitgelicht! In deze rubriek zullen we alle zeven belangrijke vaardigheden uitdiepen, die kinderen ontwikkelen als ze ontwerpen. Vandaag: durf uit te proberen.

WAT BETEKENT DURVEN UITPROBEREN?
Bij ontwerpen is het belangrijk om ideeën zo snel mogelijk uit te proberen. Maak en test je ideeën en ga expres op zoek naar wat niet goed werkt. Doe ontdekkingen en zoek naar fouten. Leer hiervan en gebruik dit om je ideeën te verbeteren. Durven uitproberen betekent ook moed houden en doorzetten. Tegen jezelf durven zeggen: “Mislukt? Hoera!” en het op een andere manier proberen. Wil je kinderen uitleggen wat deze ontwerpvaardigheid inhoudt? Download hier een beschrijving van ‘durf uit te proberen’ speciaal geschikt voor kinderen. 

WAAROM DURVEN UITPROBEREN?
Een idee wordt beter als je in een vroeg stadium durft uit te proberen. Je ontdekt sneller wat nog niet werkt, waardoor je dat kunt verbeteren. Uitproberen zorgt ervoor dat je feedback krijgt van jezelf en van anderen. Je doet ontdekkingen en uitproberen zorgt uiteindelijk ook voor meer inspiratie.

Focussen op wat mislukt, is vaak wel even wennen. Een natuurlijke gedacht is: “Mislukt? Zo snel mogelijk weg.” Denk maar eens aan die prop papier in de prullenbak met één (mislukte) krabbel erop. Ontdek in deze oefenen wat er gebeurt als je doorzet. Oefen met: “Mislukt? Hoera!”

Zorg dat alle kinderen een vel papier krijgen en een stift. Vraag de kinderen om een (mislukte) krabbel op het vel papier te tekenen. Laat alle kinderen hun vel ruilen met een klasgenoot. Vertel dat ze van de krabbel een vogel mogen maken. Vraag ze om een snavel te tekenen, poten, ogen, vleugels en een staart. Herhaal dit een aantal keer.

Op alle vellen papier zie je veel verschillende vogels! Boodschap: zet door als iets mislukt lijkt, vier je fouten en maak er alsnog iets (moois) van.

WAT HELPT OM TE DURVEN UITPROBEREN?

  1. Probeer zo snel mogelijk uit. Door in een zo vroeg mogelijk stadium expres op zoek te gaan naar wat (nog) niet werkt, kun je de meeste verbeteringen doen aan je ontwerp.
  2. Vraag jezelf af: wat werkte niet? Want je leert het meest van dingen die niet lukken.  Of zeg: wat werkte nóg niet. Benadruk het woord nog. We gaan hiervan leren!
  3. Blijf telkens uitproberen. Verzin, maak en probeer uit. Ontdek wat nog niet werkt. Verzin hier oplossingen voor, maak en probeer uit. Ga zo door! Gebruik hiervoor de werkvorm Uitwerkcyclus.
  4. Vier je fouten. Lees het boek Roza Rozeur, Ingenieur (geschikt voor groep 1 t/m 4) en zeg “Mislukt? Hoera!”. Bij dit boek is een Kleuteruniversiteit project beschikbaar. Of vier bloopers!
  5. Zoek je favoriete fout. Stel een vraag. Laat je leerlingen antwoorden op een klein vel papier. Zoek je favoriete foute antwoord. Wat is goed gegaan? Wat maakt me blij? Daarna pas: Waar is het misgegaan? Laat je inspireren door dit filmpje (in het Engels en middelbare school voorbeeld, maar heel duidelijk!)
  6. Oefen met groeigedachten. Zet gevangenisgedachten, zoals “Dit lukt nooit.” en “Ik kan dit niet” om naar groeigedachten, zoals “Ik kan dit nóg niet” en “Ik kan het op een andere manier proberen.”
  7. Praat positief tegen jezelf en anderen. Zeg niet: ja, maar. Zeg: ja, en. Oefen dit in tweetallen met deze activiteit.

HOE OEFEN JE DURVEN UITPROBEREN?

  • Oefen met durven. Geef elk kind een mystery bag (zakje met kosteloos en knutselmateriaal) én een ontwerpopdracht. Stimuleer de kinderen om zo snel mogelijk te maken en uitproberen.
  • Oefen met leren van wat niet werkt. Ga in een kring staan. Zeg: “Ik ga op vakantie en ik neem mee…een bal.” Geef de beurt aan het kind links naast je. Vraag wat dit kind wil meenemen. “Ik ga op vakantie en ik neem mee…het kind mag hier iets invullen wat hij/zij mee wil nemen op vakantie.” Als het kind iets noemt met de beginletter b, dan zeg je dat dit mee mag. Als het kind iets anders zegt, zeg je dat het niet mee mag. Daarna is het volgende kind aan de beurt en zo verder. De kinderen komen er spelenderwijs achter wat mee mag op vakantie. Raden ze de spelregel? Bij dit spel zijn mislukkingen juist goed, die helpen je om de spelregel te raden. Tip! Speel dit spel vaker en verzin telkens een andere spelregel.
  • Oefen met doorzetten. Werk in groepen van vier tot zes kinderen. Geef elke groep een hoepel. Vertel de kinderen dat ze de hoepel op hun rechterwijsvingers mogen leggen. Lukt het de kinderen om de hoepel samen naar beneden te laten zakken? Alle wijsvingers moeten de hoepel blijven raken. Dit zal zeker doorzettingsvermogen vragen!

MEER ONTWERPVAARDIGHEDEN?
Bestel hier de kaartenset Ontwerpen in Beeld met alle ontwerpvaardigheden én meer werkvormen om de ontwerpvaardigheden te ontwikkelen.